Bezittingen
Volledige weergave van de oorkonde van 1132.

i n de naam van de Heilige en Ene Drie-eenheid. Liethardus, bij Gods genade bisschop van Kamerrijk, aan allen, zowel die zullen zijn als die nu zijn in eeuwigheid. Het woord van de Schrift, "Voor uw dood moet gij het goede doen, want in de dood is er geen gelegenheid voor te vinden", zet er ons toe aan het goede te doen. Daarom willen wij er voor zorgen dat wij na onze dood niet om onze traagheid veroordeeld worden. Derhalve hebben wij besloten de kerk van Grimbergen, opgericht ter ere van Gods Heilige Moeder en van de H. Petrus, de eerste onder de Apostelen, te verheffen en te eren; vrij is zij van hen die ons vooraf gingen, tot ons gekomen en zo willen wij ze ook bevestigen. Ofschoon een zekere edelman Wouter (Berthout) genoemde kerk in zijn bezit had, omdat ze gelegen was in zijn erfgoed, heeft de Heer Odo, mijn voorganger, op aanvraag en na teruggave van dezelfde Wouter dezelfde kerk vrijgesteld van alle wereldlijke inmenging en van alle schuldvordering of belasting ten behoeve der kanunniken levend volgens de regel van de H. Augustinus.

d aarna toen de voornoemde kloosterlingen onvermogend waren en de geheel vervallen kerk verlieten, heeft hij dezelfde kerk weer op verzoek van genoemde Wouter met genot dezelfde vrijheid aan een monnikenorde overgedragen. Doch daar ook zij niet bestand waren tegen de heersende armoede, hebben zij de kerk weer helemaal vervallen verlaten. Toen Wouter overleed, vonden zijn erven, Gerard en Arnout, dat de kerk waar de gebeenten rustten van hun vader en moeder en verwanten, niet in zulke slechte staat mocht blijven; daarom hebben zij bij monde van hun afgezant, de zakenman Alverik, aan de Heer Norbertus - een man van schitterende godsvrucht - gevraagd dat hij enkele broeders van zijn orde in voornoemde kerk zou plaatsen. Norbertus heeft tenslotte hun aanvraag ingewilligd en daar broeders geplaatst onder de bescherming van abt en convent van Prémontré; ze zijn daar reeds enige tijd gevestigd en hebben er met Gods hulp in geest van armoede en volgens hun orderegel nieuw leven gebracht. Zij hebben ons thans gevraagd de abt en de vrijheid van die kerk opnieuw te willen bevestigen. Wij, van onzentwege, hebben hun verzoek ingewilligd, zodat namelijk de kerk vrij zal zijn van alle dienstplicht en van al de gewone lasten der andere kerken, evenals van alle verplichtingen jegens bisschop, aartsdiaken of deken. Na het toestaan van die rechten, heb ik aan de kerkprovincie van Kamerrijk alleen het volgende voorbehouden: te weten, het toedienen der heilige wijdingen aan de kloosterlingen en de afhankelijkheid der kerk; zo de kloosterlingen volgens de order en de gewoonte van Prémontré, vanwaar hun orde komt, een abt of overste kerkwettelijk zouden kiezen, dat ik of mijn opvolgers hun zullen wijden, ofwel waar de kloosterlingen het zullen verlangen en om een dringende reden en voldoende reden, toelating zullen geven tot de wijding. Indien de bisschop in een kerkvergadering of synode zal moeten handelen over het kerkelijk recht of de belangen van de kerk zal de abt opgeroepen worden tot geruststelling en om de bisschop te helpen beslissen. De abt zelf zal aan het hoofd van de parochie een priester naar zijn keuze aanstellen en hij zal hem persoonlijk of door één der medebroeders aan de bisschop voorstellen om de zielszorg van het volk op zich te nemen.... De goederen en bezittingen die de genoemde kerk rechtmatig en wettig heeft bekomen, willen wij nog door dit geschreven stuk bevestigen te behoeve van de reguliere kanunniken die daar de Heer dienen, te weten : (...).

m nu alle moeilijkheden te voorkomen wensen wij de vrede aan hen die het recht eerbiedigen, maar tegen hen die er inbreuk op plegen, spreken wij de banvloek uit totdat zij tot betere gevoelens komen. Wij bevestigen dit geschrift met naamteken en zegel.


terug